Niet langer stoken voor de sprotters: Museum Joure houdt de warmte binnen

Elders in Nederland spreekt men van stoken voor de mussen, maar in Joure, en vermoedelijk in de rest van Friesland ook, spreekt men in het geval van tochtige, poreuze panden over het stoken voor de “sprotters”, oftewel de spreeuwen. En zo voelde het lang, in museum Joure, alsof ze vanaf september, oktober de ketel een halfjaar lang niet voor de bezoekers en medewerkers van het museum lieten draaien, maar voor de vogeltjes buiten. Tien panden omvat het museum en die zijn stuk voor stuk oud. Mooi voor het oog, maar een crime om warm te houden, want bij sommige panden ging alle opgestookte warmte er via het dak vrijwel onmiddellijk weer uit. 

Gelukkig beschikte het museum lang over een goed energiecontract en waren de energiekosten met 40.000 euro per jaar wel op te brengen. Het was een hoop geld, maar het was te doen. Het werd een heel ander verhaal, zo vertelt directeur Iris Nutma, toen een jaar of vijf terug de energiecrisis zich aandiende en er in die tijd ook een nieuw energiecontract afgesloten moest worden. Het museum koerste af op een jaarlijke energierekening van een ton - tweeënhalf maal zoveel dus. Dat zou volgens Nutma hooguit een jaar of twee, drie vol te houden zijn. Daarna zouden ze de tent kunnen sluiten, want hoewel het museum het met 25.000 bezoekers per jaar niet slecht doet, zou dat aantal niet voldoende zijn om zo’n kostenpost over een langere tijd op te vangen. 

Verduurzamen dus, en snel ook, maar dat was in het geval van het museum nog een behoorlijke puzzel. Want de panden zijn niet van het museum en verduurzamingsmaatregelen konden niet simpelweg door een beslissing van de dagelijkse leiding ervan in gang worden gezet. En er is, om het allemaal nog iets ingewikkelder te maken, ook niet één partij eigenaar van het museum; de tien panden kennen twee eigenaarspartijen die de panden aan het museum verhuren en die stonden aanvankelijk niet te springen om zulke rigoureuze investeringen te doen om het energiegebruik terug te dringen. Het droeg destijds bij, zegt Nutma nu, aan een “paniekstemming”. Want er was immers haast bij geboden, het voortbestaan van het museum stond op het spel.

De entree van het museum Joure.
De entree van museum Joure. Foto Maartje Roos

Wel was er snel een verduurzamingsadvíés. En met dat advies, aangeleverd door een verduurzamingsspecialist die via het KlimOp-project van de provincie Friesland bij het museum betrokken raakte, ging het museum om de tafel zitten met verhuurders. De eigenaar van de twee gebouwen die door de beperkte isolatie en de hoge stookkosten het eerst voor verduurzaming in aanmerking kwamen was stichting Het Kofschip. Met hen werd er, aldus Nutma, “stevig gediscussieerd” over het aanpakken van de panden aan de Geelgietersstraat, twee oude pakhuizen en een arbeidershuisje en de oude koopmanswoning aan de Midstraat 99. Want er moest vrij plotseling een flink bedrag op tafel komen.

Een ruimte met een keuken in het museum in Joure. Een vrouw is koffie aan het zetten.
In een van de ruimtes van het museum werd de monumentale vloer verwijderd en er later, na de installatie van vloerverwarming eronder, weer gelegd. Foto Erikjan Koopmans

In die beginperiode werd er door de Museumfederatie meegekeken naar het ontwikkelen van de plannen, omdat er behalve de behaaglijkheid en de stookkosten nog een ander aspect belangrijk is aan verduurzaming: het conserveren van de collectie. Volgens Nutma was er lang sprake van schimmelvorming in de desbetreffende panden en had je ook aan het opendraaien van de cv-ketel niet genoeg om dat adequaat te bestrijden; er kwam gewoon te veel vocht de panden binnen. Kwetsbare stukken uit de collectie van het museum, zoals oude meubels, konden daarom lang niet in alle panden tentoongesteld worden. 

Door te isoleren blijft behalve de kou ook nu het vocht buiten de deur. In de verduurzaamde panden laat Nutma zien wat er verbeterd is: het plafond werd geïsoleerd, trappenhuizen werden afgesloten met deuren, er werden voorzetwanden en voorzetramen in de ruimtes geplaatst en in een van de panden is vloerverwarming geïnstalleerd; een hele klus omdat er daarvoor eerst een oude monumentale vloer moest worden verwijderd en daarna, na de installatie van de verwarming, weer moest worden gelegd. De benodigde elektriciteit voor de (hybride) warmtepomp wordt opgewekt door zonnepanelen; de pomp levert warmte in de winter, maar kan de panden ook koelen in de zomer, wat eveneens bijdraagt aan het conserveren van de collectie. En in de nu verduurzaamde ruimtes kunnen opeens ook de topstukken uit de collectie tentoongesteld worden, zoals kwetsbare, oude houten kijkdozen, theekisten en meubelen. 

Een van de expositieruimtes van het museum Joure.
Een van de expositieruimtes van het museum. Trappenhuizen werden met deuren afgesloten en er werden voorzetramen en voorzetwanden geplaatst. Foto Erikjan Koopmans

Deze eerste verduurzamingsronde is goeddeels door Het Kofschip betaald, met een subsidie van het Iep Mienskip-fonds. De zonnepanelen werden betaald met een bijdrage van Stichting Westermeer, het Rabobank Coöperatiefonds en door “vriendenacties”, zoals Nutma ze noemt, waarvoor de Vereniging van Vrienden met de pet rondging in de regio. 

Het museum wil nu ook andere panden verduurzamen, al heeft dat minder haast omdat er bijvoorbeeld geen medewerkers werken en de panden er beter aan toe zijn dan eerder genoemde panden. De eigenaar van deze panden is gemeente De Fryske Marren. De onderhandelingen hierover staan nog in de kinderschoenen. Nutma spreekt de hoop uit dat de gemeente ervoor openstaat om na deze investering niet de huursom te verhogen, maar de investering te betalen vanuit een lening met een lage rente. Deze financieringsconstructie heeft het museum ook met Het Kofschip afgesproken.

Traditioneel kiezen gebouweigenaren er vaak voor om verduurzaming te financieren uit een verhoging van de huur. Dit heeft als nadeel voor de huurder dat de huurkosten structureel veel hoger worden. “Dat blijft dus altijd op je exploitatie drukken,” verzucht Nutma. Als de kosten voor verduurzaming (deels) gefinancierd worden met een lening met een lage rente, dan is de investering na een aantal jaren afbetaald en heeft het museum ruimte in de exploitatie om in een andere vernieuwing te investeren. “Voor ons is dat veel fijner”, zegt Nutma, “want als museum met 10 gebouwen zijn er altijd wensen om iets aan te passen of te vernieuwen. Met deze constructie spelen we daar zo nu en dan weer wat budget voor vrij.”