Adviezen Subsidieregeling Musea Fryslân 2026-2028

Voorwoord

Musea vervullen een sleutelrol in het culturele en maatschappelijke leven van Fryslân. Ze bewaren, onderzoeken, vertellen en vernieuwen het verhaal van de provincie en dragen zo bij aan identiteit, leefbaarheid, educatie, aantrekkingskracht en vrijetijdseconomie. Elk museum doet dit op zijn eigen wijze – geworteld in specifieke thema’s, verbonden met de gemeenschap en steeds vaker in dialoog met de wereld daarbuiten.

De Adviescommissie Musea 2026–2028 (hierna: de commissie) is verheugd dat het provinciaal cultuurbeleid inzet op kwaliteit, meerstemmigheid en vernieuwing. De commissie beschouwt de musea als onmisbare schakels in het Ferhaal fan Fryslân, waarin natuur, landschap, geschiedenis, wetenschap en kunst elkaar versterken. De bijgevoegde adviezen voor de musea onderstrepen de diversiteit en kracht van het Friese museumveld. 

De commissie heeft de subsidieaanvragen zorgvuldig beoordeeld op inhoudelijke kwaliteit, maatschappelijke betekenis, toegankelijkheid en cultureel ondernemerschap. Daarbij is ook aandacht geweest voor kwetsbaarheden, zoals fysieke bereikbaarheid, sociale toegankelijkheid, beperkte personele capaciteit en de groeiende druk op het vrijwilligersnetwerk. De commissie spreekt grote waardering uit voor de betrokkenheid, veerkracht en professionaliteit waarmee musea, medewerkers en vrijwilligers zich inzetten voor het behoud en de ontwikkeling van cultuur in Fryslân.

Een rijk veld, maar een krappe jas

Fryslân kent een uitzonderlijk dicht en veelzijdig museaal landschap, met ruim 120 instellingen die lokaal of thematisch zijn geworteld. De meerjarige subsidieregeling van de provincie heeft de afgelopen jaren geleid tot een waardevolle impuls: sinds 2021 ontvangen acht musea structurele ondersteuning, wat het veld zowel inhoudelijk als organisatorisch heeft versterkt. Ook het openstellen van de regeling voor nieuwe musea heeft bijgedragen aan meer dynamiek en representativiteit binnen het museale ecosysteem.

Deze verbreding mag echter niet ten koste gaan van bestaande, bewezen kwaliteit. Voor de komende beleidsperiode is het beschikbare budget ontoereikend. Om álle musea die in deze ronde positief zijn beoordeeld te kunnen honoreren, is er een tekort van bijna 1 miljoen euro. Zonder ophoging van het subsidieplafond dreigt een onrechtvaardige en schadelijke situatie: musea die de afgelopen jaren – ondanks de impact van de coronacrisis – overtuigend hebben bewezen wat ze waard zijn, vallen alsnog buiten de regeling.

Drie musea illustreren deze pijnlijke realiteit: Museum Hindeloopen en het Fries Landbouwmuseum scoren ex aequo in de volgens de kaderregeling gemaakte rangschikking, maar kunnen budgettair niet beide gehonoreerd worden. Ook voor het Kazemattenmuseum is geen budget beschikbaar, terwijl dit museum nu wel aan de gestelde eisen voldoet. Alle drie instellingen voldeden in een eerdere ronde niet aan de criteria, maar hebben sindsdien een indrukwekkende ontwikkeling doorgemaakt. Ze zijn nu beoordeeld als subsidie-waardig, maar lijken nu vanwege het budgettaire plafond niet alle drie voor subsidie in aanmerking te komen. De commissie vindt het positief dat de regeling is opengesteld voor nieuwkomers, maar acht het onverantwoord om dit te doen zonder daarbij voldoende middelen beschikbaar te stellen voor nieuwe aanvragers die hun plaats inmiddels overtuigend hebben verdiend.

Oproep aan de provincie

De commissie doet een dringende oproep aan het provinciaal bestuur: vergroot het beschikbare subsidiebudget. Het opnieuw verdelen van dezelfde taart als vijf jaar geleden, terwijl het culturele veld aantoonbaar is gegroeid en verbeterd, is niet houdbaar. Het gaat ten koste van musea die inmiddels onmisbaar zijn voor het culturele geheugen van Fryslân.

Een museale infrastructuur vraagt om continuïteit, waardering én visie. Zonder voldoende financiële ondersteuning dreigt afkalving van kwaliteit, verlies van opgebouwde expertise en frustratie bij instellingen die jarenlang hebben geïnvesteerd in vernieuwing en versterking. Niet alleen deze musea zouden hiervan de dupe worden; ook het publiek, het onderwijs en de Friese samenleving als geheel.

De commissie voelt zich verantwoordelijk voor de beoordeling van kwaliteit en niet voor de beperkingen van een te krap budget. Ze roept de provincie op om deze verantwoordelijkheid wél te nemen en ervoor te zorgen dat Fryslân ook de komende jaren kan blijven bouwen aan een sterk, veelzijdig en toekomstgericht museaal landschap.

Leeuwarden, juni 2025

De Adviescommissie Musea 2026-2028 bestaat uit de volgende leden:

Minke Schat (voorzitter)

Jan Folkerts

Nicolette Bartelink 

Klaas Geert Schaafsma

Inzage rangschikking en adviezen

De rangschikking en de individuele adviezen voor deze tenderregeling zijn beschikbaar voor belanghebbenden.

Om zorgvuldige verstrekking van informatie te waarborgen, kunnen belanghebbenden deze stukken op verzoek bij ons opvragen

Algemeen advies: Versterking van het Friese museale ecosysteem

Versterking van het Friese museale ecosysteem

Van het cultuurhistorisch museum Sorgdrager op Ameland tot het Jopie Huisman Museum in Workum en van Fogelsanghstate in Veenklooster tot het Kazemattenmuseum in Kornwerderzand: Fryslân kent anno 2025 een rijk en gevarieerd palet aan kleine en grote musea. Sinds de oprichting van het Fries Museum in 1881 is het Friese museale landschap uitgegroeid tot zo’n 125 musea. Daarvan zijn er ruim veertig geregistreerd en is een kleine zeventig aangesloten bij de Friese Museumfederatie.

De grote museumdichtheid in onze provincie laat zien hoezeer de vaak uit particulier initiatief ontstane musea verankerd zijn in stad, dorp of streek. De kracht zit hem in de nauwe betrokkenheid van lokale gemeenschappen bij het cultureel erfgoed: tientallen musea draaien vrijwel volledig op de inzet en het enthousiasme van vrijwilligers. 

In ons advies over het Friese museale landschap uit 2020 wezen wij al op de keerzijde van deze spreiding. Overal moeten collecties en gebouwen worden beheerd, educatieve activiteiten worden ontwikkeld en bezoekers worden ontvangen – vaak met beperkte budgetten. De zoektocht naar voldoende vrijwilligers is een uitdaging voor alle musea en treft de kleinere musea in het bijzonder. 

De musea verschillen sterk in ambitie en omvang. Toch kan een museum met een beperkte behoefte aan professionalisering lokaal van grote betekenis zijn.

Het gehele netwerk

Van de grote hoeveelheid kleinere en grotere musea in de provincie ontvangt een zeer klein aantal momenteel een structurele subsidie. Dat geringe aantal is niet alleen het gevolg van de beperkte financiële middelen van de provincie. Minstens zo bepalend is het beleidsdoel van de subsidieregeling, zoals geformuleerd door Gedeputeerde Staten: een robuust en kwalitatief hoogwaardig ecosysteem van professionele musea die (aspecten van) het Ferhaal fan Fryslân op een aantrekkelijke en actuele manier vertellen.

De commissie is van mening dat het door de provincie bedoelde ecosysteem alleen kan functioneren binnen het gehele netwerk van musea – groot en klein – en als de provincie tevens bereid is om te sturen op de inhoudelijke representativiteit en de gezondheid van het volledige netwerk. 

Het museale ecosysteem in Fryslân bestaat volgens de commissie uit álle musea en niet alleen uit degenen die provinciale subsidie ontvangen. Veel instellingen ontvangen overigens wél gemeentelijke ondersteuning. Dat het provinciebestuur ook waardering heeft voor musea die ze niet zelf subsidieert, blijkt onder meer uit de financiering van Museumfederatie Fryslân. Binnen het gehele museale landschap wil de provincie vooral sturen op kwaliteit en professionaliteit, zo valt uit de definitie op te maken; een logische en noodzakelijke keuze. Net als in de vorige beleidsperiode zien we echter dat de praktische uitvoering van dat beleid wordt belemmerd door het tekort aan financiële middelen op de provinciale begroting voor dit doel.

Nieuw stelsel

In de vorige beleidsperiode is het oude systeem, waarin vier musea provinciale subsidie ontvingen, doorbroken. Er werd een nieuw stelsel ingevoerd met als doel de regeling open te stellen voor alle geregistreerde musea in de provincie, mits ze aan bepaalde kwaliteitsvoorwaarden voldeden.

Het doel om meer musea te bereiken is gerealiseerd. Er traden vier nieuwe deelnemers toe: Museum Belvédère in Oranjewoud, Museum Dr8888 in Drachten en het Koninklijk Eise Eisinga Planetarium en Museum Martena in Franeker. Het aantal gesubsidieerde musea verdubbelde van vier naar acht.

Al snel vormden deze acht musea een eigen belangenclub: de M8. Hoewel begrijpelijk, werd deze groep door andere musea in het Friese veld al snel als exclusief ervaren – mogelijk tegen de intentie van de M8 zelf in. Dit vermeende exclusieve karakter strookt niet met de visie van de commissie op het Friese museale ecosysteem. Hoewel het voorstelbaar is dat bestaande gesubsidieerde musea zich zorgen maken over het verder verdelen van een al krap budget, pleit de commissie voor een open houding. Juist in een veld dat gebaat is bij samenwerking hebben ook de gevestigde instellingen belang bij een gezonde, brede en goed functionerende museale infrastructuur.

Samenwerking zou idealiter zowel praktisch als inhoudelijk, kwalitatief en programmatisch van aard moeten zijn: een coöperatief model dat alle deelnemers ten goede komt. Een bloeiend museumlandschap vraagt om gelijkwaardigheid in plaats van hiërarchie.

De Friese musea nader bekeken

Tussen 1991 en 2020 ondersteunde de provincie Fryslân structureel vier musea: het Fries Museum, het Natuurmuseum Fryslân, het Fries Scheepvaartmuseum en het Fries Landbouwmuseum. Het provinciaal bestuur koos destijds voor deze instellingen omdat ze thema’s vertegenwoordigden die van bijzonder belang zijn voor Fryslân. Andere musea moesten hun financiering zoeken bij gemeenten en particuliere fondsen.

In 2020 besloot de provincie dit systeem los te laten. Van de geregistreerde musea dienden in dat jaar dertien instellingen een aanvraag in voor de periode 2021–2024. Eén aanvraag viel om formele redenen af, waarna de commissie werd gevraagd de overige twaalf aanvragen inhoudelijk te beoordelen. Er traden zeven musea toe tot het subsidiebestel voor deze periode 2021-2024, die vervolgens werd verlengd tot 2025. Het Fries Museum werd op een later moment toegevoegd, nadat het eerder om formele redenen buiten de beoordeling was gebleven. 

Juist omdat de provincie de regeling sinds de vorige beleidsperiode heeft opengesteld voor alle geregistreerde musea, is het van belang om ook naar het totaalbeeld van de museale infrastructuur in Fryslân te kijken. In 2020 analyseerde de commissie voor het eerst het hele museale landschap in de provincie. Vanuit cultuurhistorisch perspectief werden toen adviezen gegeven over de versterking van het geheel aan kleine en grote musea. Het pleidooi van de commissie in 2020 voor een meer thematische samenwerking en afstemming is in 2025 nog steeds relevant, al zijn er de afgelopen jaren op meerdere terreinen belangrijke stappen gezet.

Het meest in het oog springend is de inhoudelijke samenwerking tussen de twee Franeker wetenschapsmusea: Museum Martena en het Eise Eisinga Planetarium. De versnippering van de wetenschapsgeschiedenis in de provincie is hiermee grotendeels doorbroken. Datzelfde geldt voor de oorlogsmusea: het Kazemattenmuseum op Kornwerderzand heeft nadrukkelijk de blik naar buiten gericht en samenwerking gezocht, binnen én buiten de provincie.

Sociale geschiedenis

Op het derde thema uit 2020 – de sociale geschiedenis, met name die van het platteland – is minder vooruitgang geboekt. Geen van de musea die momenteel provinciale subsidie ontvangen beschouwt dit onderwerp als hoofdthema. Wel besteden meerdere kleinere musea, met name in het oosten van de provincie, hier veel aandacht aan. De commissie onderstreept het belang van dit thema. In dat licht is het spijtig dat de provincie dit jaar geen aanvragen heeft ontvangen vanuit deze groep.

De aanvraag van openluchtmuseum De Spitkeet in Harkema, dat het leven in armoede op de Friese heide thematiseert, moest in 2020 helaas worden afgewezen omdat deze niet voldeed aan de subsidievoorwaarden. Hoewel de commissie destijds expliciet het belang van dit onderwerp heeft benadrukt, is in 2025 geen nieuwe aanvraag ingediend.

In 2020 ontvingen twee musea in het oosten van de provincie voor het eerst provinciale subsidie: Museum Belvédère in Oranjewoud en Museum Dr8888 in Drachten. Beide musea verdienen die status zonder meer. Toch is het opmerkelijk dat de provincie in deze regio nu wél twee kunstmusea ondersteunt, terwijl instellingen die zich richten op de sociale geschiedenis en de arbeidersbeweging geen steun ontvangen. Dit doet geen recht aan het belang van dit thema voor het Ferhaal fan Fryslân

Dit thema vormt juist een verbindend element tussen meerdere kleinere musea in de regio, zoals De Súkerij in Damwâld, De Spitkeet in Harkema en It Damshûs in Nij Beets. Hoewel deze musea waardevol werk verrichten, beschikken ze niet over dezelfde middelen als grotere instellingen.

Kennisdeling en inhoudelijke kwaliteitsversterking op dit vlak verdienen volgens de commissie bijzondere aandacht van de provincie, eventueel in samenwerking met de gemeentelijke overheden. Opvallend is dat het aantal subsidieaanvragen voor de beleidsperiode 2026–2028 lager ligt dan bij de eerste open ronde in 2020: toen waren het er dertien, nu elf. Een mogelijke verklaring is de beperkte financiële ruimte van de provincie, die voor sommige musea wellicht een drempel vormt om een aanvraag in te dienen.

Profilering

Veel musea in Fryslân worstelen met het ontwikkelen van een helder en onderscheidend profiel, gebaseerd op hun collectie en doelgroep(en). Het opstellen van een subsidieaanvraag dwingt musea om hier kritisch over na te denken en het maatschappelijk belang van hun instelling goed onder woorden te brengen. Volgens de provinciale cultuurnota Tosken yn in nije tiid moeten musea het Ferhaal fan Fryslân op een aansprekende en actuele manier vertellen. In deze nota wordt minder nadruk gelegd dan voorheen op het Frysk eigene – datgene wat bepalend en onderscheidend is voor Fryslân – maar juist daardoor is de noodzaak om heldere keuzes te maken des te groter.

Van de gesubsidieerde musea zijn vooral het Fries Landbouwmuseum en het Fries Scheepvaartmuseum bezig met een heroriëntatie. Voor het Fries Landbouwmuseum is die heroriëntatie mede ingegeven door de afwijzing van een subsidie in 2020. De nieuwe aanvragers, het Nationaal Vlechtmuseum in Noordwolde en het Nationaal Modelspoor Museum in Sneek, misten in hun aanvragen een duidelijke positionering. Hoewel beide zich ‘nationaal’ noemen, richten ze zich in de praktijk vooral op de regio. Daartegenover staan Museum Hindeloopen en het Kazemattenmuseum, die in 2020 beide zonder succes een aanvraag indienden en nu wél aan de provinciale criteria voldoen – mede dankzij een sterkere visie op hun eigen positie binnen het museale landschap. Zoals eerder gesteld, ontbreekt bij meerdere musea een heldere visie op hun eigen bestaansrecht. Groter is niet per se beter; méér kwaliteit is daarentegen wel essentieel. De Friese museumsector kan zeker een kwaliteitsslag gebruiken. Hoewel de Friese Museumfederatie hierin een waardevolle ondersteunende rol speelt, moet de daadwerkelijke kwaliteitsverbetering van de musea zelf komen.

Alleen op lokaal enthousiasme kunnen musea niet drijven. De toenemende concurrentie in de vrijetijdsbesteding zal onvermijdelijk leiden tot een zekere sanering, waarbij musea met een heldere visie en stevige inhoud het meest kansrijk zijn. Dat sterk niet altijd groot hoeft te betekenen, wordt in Fryslân ruimschoots bewezen. Door slimme keuzes te maken, kunnen onevenwichtigheden in de huidige museuminfrastructuur worden gecorrigeerd. De subsidievoorwaarden kunnen hierbij als instrument dienen.

De commissie pleit, net als in 2020, voor een brede discussie met het museumveld (dus breder dan alleen de gesubsidieerde musea) over de toekomst van de sector in Fryslân. Vanwege de vele cross-sectorale aspecten zouden hierbij ook de archieven en andere erfgoedinstellingen betrokken moeten worden. 

Binnen dit diverse museale landschap vervult het Fries Museum een bijzondere rol. Ook in de afgelopen jaren organiseerde dit museum tentoonstellingen van nationaal en internationaal niveau die een breed publiek aanspreken. Daarmee heeft het een grote toeristische en economische meerwaarde voor Leeuwarden en omgeving. De commissie stelt voor dat de nieuwe directie van het Fries Museum vanuit de provincie een actieve rol krijgt in de hierboven genoemde brede toekomstdiscussie.

Aanbevelingen

1. Stimuleer thematische clustervorming op inhoud en programmering tussen de Friese musea, waar nodig ook provinciegrensoverschrijdend.  Stel de gewenste clusters vast in overleg met het veld. Deze clustervorming is niet gericht op fusie van musea, maar op inhoudelijke versterking van het gehele museale veld.

2. Werk structureel aan betere afstemming tussen provincie en gemeenten over de verdeling van middelen binnen het cultuurbeleid.
Pak het in Tosken yn in nije tiid gesignaleerde gebrek aan coördinatie aan, met het oog op versterking van de volledige Friese museumsector.

3. Stimuleer ontschotting binnen de provinciale erfgoedwereld en een goede samenwerking en coördinatie tussen de musea en andere publieke erfgoedinstellingen. Denk hierbij aan organisaties als Tresoar, Fryske Akademy, Historisch Centrum Leeuwarden en Historisch Centrum de Tiid in Bolsward.

4. Neem de regie in het toekomstig gebruik van het Kolleksjesintrum Fryslân.
Deze centrale depotvoorziening werd in 2016 opgericht voor collecties van vier provinciaal gesubsidieerde musea en Tresoar. Nu de relatie tussen provincie en gesubsidieerde musea sinds 2020 is gewijzigd, is het wenselijk dat de provincie de regie neemt over het gebruik en beheer van deze voorziening. Het ligt daarbij voor de hand om, onder voorwaarden en voor zover de ruimte het toelaat, ook andere erfgoedinstellingen toegang te bieden.

5. Zet samen met gemeenten en musea in het oosten van de provincie een speciaal fonds op voor de bevordering van de sociale en economische geschiedenis in die regio.
Geef hiermee ondersteuning aan instellingen die wezenlijk bijdragen aan het Ferhaal fan Fryslân.

6. Voorkom een ‘exclusieve’ benadering van de gesubsidieerde musea, zowel door deze musea zelf als door de provincie. Versterk daarmee de generieke provinciale verantwoordelijkheid voor het museumveld.